De BTW vrijstelling voor ‘het onderwijs’
Door mr. A.H. (Ton) Lamers
Regelmatig wordt ik geconfronteerd met de veronderstelling dat ‘het onderwijs’ is vrijgesteld
voor de omzetbelasting. Deze stelling is maar zeer ten dele waar. Hierna zal ik uiteenzetten
hoe de Nederlandse wetgeving, toegespitst op de relatie onderwijs en omzetbelasting, in
elkaar steekt.
De hoofdregel
In beginsel wordt op ‘onderwijsprestaties’ in het algemeen gewoon 19% BTW geheven.
Op deze hoofdregel heeft de wetgever onderstaande uitzonderingen geformuleerd waarbij
de wetgever deze uitgezonderde vormen van onderwijs heeft vrijgesteld voor de
omzetbelasting.
Uitzonderingen waarvoor de vrijstelling geldt
1.
Wet OB 1968 art. 11 lid 1 sub “o”; Prestaties van of aan het reguliere onderwijs dat door de
rijksoverheid wordt gefinancierd.
Prestaties: Het moet gaan om onderwijsprestaties, zeg maar lesgeven of toetsen.
Anderssoortige prestaties van of aan de onderwijsinstelling zijn dus gewoon volgens de
normale regels belast.
van of aan: Het gaat dus zowel om de onderwijsprestaties van de school zelf alsmede om de
onderwijs prestaties aan die school door incidenteel ingehuurde zelfstandige docenten die
BTW plichtig zijn.
Let op, dit is vanuit het oogpunt van de loonheffing maar zeer beperkt mogelijk. Zelfs de Verklaring
Arbeidsrelatie (VAR) met de status Winst Uit Onderneming (WUO) kan geen onbeperkte oplossing bieden. De
vraag of er sprake is van een civiele arbeidsovereenkomst is weer een geheel andere. Voor deze materie wordt
verwezen naar het rechtsvermoeden van de artt. 7:610a en 7:610b BW.
reguliere onderwijs: Het normale onderwijs van lagere school tot universiteit.
rijksoverheid: Onder deze regeling valt dus uitsluitend het door de minister van OC&W
gefinancierde onderwijs, door lagere overheden zoals provincie, gemeente of bijvoorbeeld
een productschap geldt deze uitzondering op de hoofdregel dus niet.
2.
Wet OB 1968 art. 11 lid 1 sub “o” ten tweede juncto Uitvoeringsbesluit Wet OB 1968 art. 8 lid
1; Het bij algemene maatregel van bestuur aangewezen onderwijs. Voornoemd
uitvoeringsbesluit ‘is’ deze algemene maatregel van bestuur waarin de volgende vormen van
onderwijs (a, b en c) zijn aangewezen om in tegenstelling met de hoofdregel en bij wijze van
uitzondering, als waarvoor de vrijstelling geldt:
a.
Het onderwijs dat niet (geheel) uit de openbare kassen wordt gefinancierd, maar dat wat
betreft diploma’s en examens gelijkgerechtigd is met de scholen onder uitzondering “1”
(Men denke daarbij schoolverenigingen voor lager onderwijs die voor het overgrote deel uit
de (hoge) lesgelden worden gefinancierd of speciale particuliere beroepsopleidingen). Let op
deze ‘scholen’ moeten dus bevoegd zijn om graden en diploma’s gelijk aan de door de
rijksoverheid gefinancierde scholen toe te kennen en uit te reiken.
b.
Het erkende onderwijs. Dit is het onderwijs dat op grond van de Wet op de erkende
onderwijsinstellingen een erkenning heeft gekregen en welk onderwijs niet uit de openbare
kassen wordt betaald. (Men denke hierbij aan schriftelijke onderwijs en onderwijs ter
opleiding van staatsexamens).
c.
Onderwijs in muziek, dans en beeldende vorming aan kinderen onder de 21 jaar.
Deze regel geldt dus ongeacht door wie het onderwijs wordt gegeven maar uitsluitend voor
‘kinderen’ tot en met 20 jaar.
Samenvatting
Op de hoofdregel gelden dus slecht twee uitzonderingen:
1. Het reguliere door de rijksoverheid gefinancierde onderwijs.
2. Het aangewezen onderwijs, zie hiervoor onder a, b, en c.
Schijnbare uitzonderingen
Scholen of opleidingen kunnen op grond van het feit dat ze slechts een kleine omzet draaien in de KOR (Kleine Ondernemersregeling) vallen en op grond daarvan kan het betreffende instituut worden vrijgesteld van de administratieve verplichting. Dat laatste houdt in dat men geen BTW administratie hoeft te voeren en dus ook geen BTW hoeft te betalen en dus ook geen vooraftrek mag toepassen.
Aanbieders van onderwijs aan dit soort scholen zijn daarmee niet ook vrijgesteld. Zij moeten op hun factuur gewoon BTW uitsplitsen. |